Christendom in Georgië – deel 1 [Zura Kalandadze]

jvariKlooster van Jvari nabij Mtskheta, een van de oudste overlevende kloosters in Georgië (6de eeuw na. Chr.)

Georgië, door de inheemse bevolking Sakartvelo genoemd, is gelegen in de Kaukasus aan de oever van de Zwarte Zee. Dit bergachtige land, dat op de grens ligt van Europa en Azië, had altijd een strategische positie in velerlei richting, ook als een link tussen het Oosten en het Westen.

Vόόr de tijd van het Christendom was er in Georgië reeds een geloof in een ‘god-schepper’, in ‘zon, maan en 5 sterren’ en in een 7-handige afgod ‘Bochi’. In de derde eeuw werden 2 andere afgoden toegevoegd: ‘Gatsi’ en ‘Gaïmi’. Later ontstond de verering van ‘Armazi’, die werd beschouwd als de zon, symbool van licht en warmte, als schepper van deugd en leven.

De inhoud en praktijk van de Oud-testamentische traditie kan in Georgië in verband gebracht worden met de Joodse immigratie, die van een enorme omvang was. Dit gebeurde gedurende het koningschap van Nebudkadnezar in de zesde/zevende eeuw voor Christus. Informatie over deze Joodse mensen wordt gegeven door de Georgische Kronieken, genaamd ‘Kartlis Tskhovreba’ (citaat “priesters van Bodi, levend in Mtsketa en schriftgeleerden van Kodistskharo”). Vanuit Georgië trokken elk jaar Joodse mensen naar Jeruzalem om daar deel te nemen aan het Sanhedrin.

Door de informatie van een kroniek-schrijver is bekend, dat bij de discussies over de veroordeling van Jezus Christus, mensen uit Georgië aanwezig waren (Elioz en Longinos Karsneli). Hogepriester Elioz, die Joods was, bracht het opperkleed van Jezus Christus met zich mee naar Georgië. Toen een zuster van Elioz, Sidonia genaamd, haar broer ontmoette, drukte zij dit kleed tegen haar hart en zij stierf onmiddellijk. Het bleek onmogelijk dit kleed uit haar handen te krijgen en zij en het kleed werden samen begraven in Mtskheta (stad in midden Georgië).

Volgens Georgische kronieken en over leveringen werd na Pinksteren in Jeruzalem geloot onder de moeder van God en de apostelen, met als doel te weten waarheen elk van hen moest gaan om het Evangelie te prediken. Voor Georgië viel het lot op de moeder van God. Georgië is het voor de moeder van God bestemde land. De geschiedenis toont haar speciale zorg voor Georgië aan.

* * *

Direct in de eerste eeuw kwam in Georgië het Christendom. Het werd gepredikt door de apostelen Andreas en Simon de Kanaäniet. Zij mochten mensen tot het Christendom bekeren uit de bevolking van het westelijk deel van Georgië, gedeeltelijk uit het midden van Georgië en de provincies Svaneti en Apkhazeti. Simon stierf in Abchazië en werd begraven in Nieuw Athos (Akhali Aphoni in Abchazië, westelijk gedeelte van Georgië).

Maar het Christendom was nog geen officiële staatsgodsdienst. Wel zij er reeds enige voorbeelden van koningen die Christelijke ideeën hadden. De ‘Kartlis Tskhovreba’ maken melding van Koning Revi (tweede/derde eeuw): “Door hem werd het Evangelie van Jezus Christus gehoord en hij kreeg liefde voor hem.”

Het bestaan van het Christendom in Kolkheti (het westelijke deel van Georgië) is ook aangetoond door Griekse historici. De Lazs (een Georgische stam) hadden in de tweede eeuw al een bisschop. Zij zonden priesters uit naar andere landen. In Capadocië leefden in de derde eeuw al Christelijke Georgiërs. Eerder reeds was in Ponto (in Georgië) bisschop Palmi.

nino-georgie

De missie van de heilige apostelen werd voortgezet door Sinte Nino in de vierde eeuw. Over haar leen bestaat veel informatie vanuit de werken van historici uit de vijfde tot elfde eeuw. Sinte Nino kwam uit Capadocië, waar ook Georgische stammen woonden. Ze was de enige dochter van gelovige ouders. Na hun dood werd Nino naar Jeruzalem meegenomen door haar oom, die patricarch van Jeruzalem was. Daar kreeg ze op hoog niveau kennis van de heilige teksten. Ze besloot niet te trouwen en haar leven te wijden aan het Christendom. Daar ze wist dat Georgië het voor de moeder van God bestemde land was en nog steeds niet volledig Christelijk was, besloot ze om naar Georgië te gaan om daar de mensen tot het Christendom te bewegen. Haar oom zegende haar voornemen in.

Onderweg naar Georgië, gekweld door vele moeilijkheden, verscheen haar in een droom de moeder van God, die haar het wijnstokkruis gaf en beloofde haar te zullen steunen. Toen zij ontwaakte en dit kruis in haar hand zag, dankte ze God en ging naar Mtskheta (de hofdstad van Georgië in die tijd).

Ze begon daar het Evangelie te brengen en gaf de mensen medische zorg. Ook onderhield ze contacten met Joodse mensen om de historie te onderzoeken omtrent het opperkleed van Jezus Christus.

Ze bewoog de Joodse priester Abiathar tot het Christendom die haar tot grote steun werd. De Joodse bevolking wou hem doden, maar de Georgische kroniek-schrijver getuigt over hem als een “tweede Paulus”.

Op de gebeden van Nino werden door een wonder, nl. door middel van een sterke wind, afgoden verwoest, iets dat grote invloed had op de bevolking. Door middel van een wonderlijke genezing van Koningin Nana en het wonderlijk gered worden van Koning Mirian op diens gebed tot Jezus Christus, werden beiden Christen. De koning vertelde het volk, de Kartli (midden Georgië), van de wonderen en vroeg hen om het Christendom aan te nemen. In deze periode werd het hele volk Kartli gedoopt in de rivieren Mtkvari en de Aragvi. Na de Kartli bekeerden ook de Kakheti en de Mtiuleti zich tot het Christendom.

In deze periode was Nino’s gezondheid tanende. Ze koos als woonplaats een dorp genaamd Bodbiskhevi (Bodbe). Vόόr haar verscheiden sprak de aartsbisschop Ioane de gebeden uit en diende haar het sacrament van de stervenden toe. Ze is begraven in Bodbiskhevi en koning Mirian bouwde een kerk op haar graf. Haar wijnstokkruis werd naar Mtskheta gebracht, maar het is nu geplaatst in de kathedraal van Georgië: Sioni (in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië). Voor het Georgische volk heeft het kruis grote betekenis.

Het Christendom werd uitgeroepen als staatsgodsdienst van Georgië in de eerste helft van de vierde eeuw. Sinds deze periode bleek het Christendom onafscheidelijk verbonden te zijn met het nationale karakter van het Georgische volk.

* * *

In de 5de eeuw vielen de Perzen Georgië binnen, vergoten veel bloed en onderdrukten het Christendom. Daarna werd een krachtige impuls gegeven door de geestelijke broeders van de kerk in Antiochië.

In de 6e eeuw kwamen in Georgië 13 Assyrische monniken, die ontvangen werden door de katholikos in Svetitskhoveli (een kathedraal in de hoofdstad Mtsketa). Deze monniken brachten het Christendom op een hoger niveau. De identiteit van de Assyrische monniken is tot op de dag van vandaag nog niet volledig bekend. Volgens sommige wetenschappers waren de meesten van hen Georgiërs, omdat ze, vóór ze in Georgië aankwamen, al de Georgische taal spraken. Dit is waarschijnlijk omdat er in die periode in Antiochië vele Georgische monniken leefden.¬¬

In de 7e eeuw ontstond een nieuw gevaar, nl. de komst van de Islam, die een vijand van het Christendom bleek te zijn. In deze eeuw bezetten Arabieren het belangrijkste deel van Georgië. Ze verwoestten vele Christelijke centra en martelden vele verdedigers van het Christendom. De kroniek-schrijvers vermelden dat de soldaten van Al-Muttavakkil alleen al in één straf-expeditie (9de eeuw) meer dan 50.000 mensen doodden in de streek van Tbilisi.

In de 2de helft van de 11de eeuw had de expansie van de Turken plaats. Zij verwoestten het land, brandden de stad Kutaïsi plat (westelijk Georgië) en maakten van kerken stallen.

Het was pas op de grens van de 11de en de 12de eeuw, dat de rechtgelovige Koning David IV “de Hersteller” (1089 – 1125) in staat was de centrale macht te herstellen en opnieuw de onafhankelijkheid van het land te bereiken. Hij dwong de vijand terug, niet alleen uit Georgië, maar ook uit het grootste deel van Armenië, door de Armeense hoofdstad Ani te bevrijden.

Hij begon aan het Christelijk herstel van zijn land. In 1103 liet hij de nationale kerk bijeenroepen om de orde te herstellen. Hij bouwde vele kathedralen en kloosters. Het is opmerkelijk, dat Koning David IV Christelijke hymnes schreef. Tot op vandaag bestaat zijn werk: “Galobani Sinanulisani”, wat een mooi voorbeeld van Georgische hymnografie is.

Na het koningschap van David IV, deed zijn kleindochter Tamari (1184 – 1213) veel voor de kerk van Georgië (Georgiërs noemen haar zelfs Koning Tamari). Ze begon haar koningschap met gebed en het laten bijeenroepen van de kerk. Zij maakte het Christendom ook in bergachtige streken belangrijk. Ze liet ontelbare kerken en kloosters bouwen.

Na het heengaan van Tamari maakten Mongolen het land tot een ruïne. In deze periode werd de koepel van de hoofdkathedraal van Georgië, Sioni, verwoest en werde de mensen gedwongen om de ikonen met hun voeten kapot te trappen. Wie dat weigerde, werd onthoofd. Veel Georgische boeken werden vernietigd. Uiteindelijk herstelde Koning Giorgi de Briljante de onafhankelijkheid en de politieke eenheid. De katholikos Ekvtime riep de kerk bijeen (1344) met als doel het Christendom sterker te maken.

Zo noemen we slechts enkele feiten van de uitgebreide geschiedenis van Georgië. Telkens probeerden aanvallers het Christendom uit te roeien, bijna in alle perioden van het bestaan van Georgië. Maar de kerk, het koninkrijk, geestelijken en burgers spaarden zich niet om het Christendom te bewaren.

Met het oog op de vele kwellingen, de natie, het koningschap en de kerk aangedaan, werd in 1783 een verdrag getekend met Rusland, in geloofsvertrouwen, dat Rusland met dit verdrag het Christelijke Georgië zou helpen en steunen. Maar i.p.v. ondersteuning, werd het koningschap in 1801 gelikwideerd. D.m.v. een wettelijk bevel van de keizer van Rusland werd de Katholikos van Georgië, Anton II, naar Rusland gebracht, waarna het hem niet werd toegestaan ooit terug te keren.

Georgië’s politieke onafhankelijkheid werd opgeheven. Het oude democratische systeem werd vervangen. Het land werd verdeeld in districten. Elk deel werd geregeerd door een Russische functionaris. Op bevel van de tsaar moest de kerk geleid worden door een persoon van Russische nationaliteit (Ekzarkhos).

De onafhankelijkheid van de kerk, die had bestaan vanaf de 5de eeuw, verdween (1811). Het werd de kerk verboden om de Georgische taal te bezigen in kerkdiensten, lessen op seminaries en op officiëel niveau. Dit was de eerste grote aanval op de Georgische taal. De muren van vele kerkgebouwen, waarop oude fresco’s geschilderd waren, werden overschilderd.

Vanaf 1804 en daarna waren er vele volksopstanden in Georgië en vanaf eind 19de en begin 20ste eeuw ontstond een wijdverbreide nationale onafhankelijkheidsbeweging, die uiteindelijk enige resultaten bereikte. Op 12 Maart 1917 werd een kerksynode bijeengeroepen en werd de onafhankelijkheid van de Georgisch Apostolische Kerk hersteld. Door deze gebeurtenis werd een nieuwe kans gegeven aan de ontwikkeling van het normale geestelijke en culturele leven. In 1918 werd ook politieke onafhankelijkheid bereikt. Dit gaf hoop op de restauratie van de natie.

Inmiddels dreigde een nieuw gevaar voor Georgië, nl. de verwoesting van de onafhankelijkheid en van het Christendom door de communisten. In deze periode werden na elkaar 3 Katholikos-patriarchen van de Georgische kerk vermoord.

Vóór de Russische bezetting was de Georgische kerk vele malen rijker dan nu. Vele onroerende goederen werden onteigend. Grote hoeveelheden kerk-eigendommen werden gestolen en naar het buitenland gebracht. Maar wat nog is overgebleven, doet de bezoekers nu nog verbaasd staan.

Sinds de communistische bezetting en het gedwongen zijn om lid te worden van de USSR (1921), zijn vele duizenden mensen gedood, onder hen vele intellectuelen en rijken. Mensen die gewoon waren om naar de kerk te gaan, werden beschouwd als zijnde tegen de overheid. Het werd verboden om kunstwerken te maken, geïnspireerd door het Christendom. Uit angst voor de overheid maakten de mensen vaak een gebedsruimte op geheime plaatsen.

Het ideaal van nationale onafhankelijkheid was zó sterk verbonden met het Christelijk geloof, dat de leiders van de Nationale Onafhankelijkheidsbeweging steeds hun ideeën baseerden op de Christelijke moraal. Onafhankelijkheidsstrijders gaven hun leven voor deze moraal. Een goed voorbeeld hiervan is de ‘bloedige dag’ van 9 April 1989, toen speciale Sovjet-milltaire eenheden met gifgas en bajonetten vredelievende demonstranten doodden, die in Tbilisi smeekten om onafhankelijkheid. Vlak voordat soldaten en tanks arriveerden, hieven duizenden demonstranten uit één mond het “Onze Vader” aan. De eerste president van Georgië, Zviad Gamsakhurdia, die in 1993 werd gedood, was een gelovig Christen en was in deze zin ook actief in de literaire wereld.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s